De ultieme taal van muziek
‘Spelen in een strijkkwartet is voor mij spreken in de ultieme taal van de muziek en elkaar dan volkomen begrijpen.’
Een interview met Olivia Scheepers, eerste violist van het Belinfante Quartet
door Tessa Stassen
Een zonnige, frisse dag in november, herfstkleurende bomen, een stadscentrum vol met winkelend publiek, een café in de oksel van een concertzaal: hier spreken we violist en oprichter van het Belinfante Quartet, Olivia Scheepers. Na bijna 10 jaar muzikaal aan de weg timmeren is dit kwartet met leden uit alle hoeken van Europa niet meer weg te denken uit het Nederlandse muziekleven. Hun kenmerk: concerten rondom een thema dat de ziel van de luisteraar raakt. Naast werken van componisten uit de strijkkwartetcanon koesteren ze altijd aandacht voor ‘vergeten’ componisten: vaak vrouwen, soms ook uit bijzondere uithoeken van de wereld waar je niet direct de bedenker van een strijkkwart zou plaatsen, zoals Kirgizië en Tadzjikistan.
Olivia oogt energiek en ontspannen, helemaal niet als de musicus die morgen weer begint met de repetities voor een concerttournee met hun nieuwe programma. Dit programma heet ‘Muziek en de sferen’ en begint in Almere, waar ze dit jaar ‘Artist in Residence’ zijn van concertzaal de Goede Rede. Olivia’s muzikale persoonlijkheid heeft, zoals op de website van het kwartet door de overige leden beschreven ‘een speelse en ondeugende kant – met het vermogen om te schakelen tussen humor en drama’. Deze eigenschappen schijnen ook door in haar persoonlijkheid als ze vertelt over haar leven als musicus en strijkkwartetspeler.
Van meisjeskoor ‘Giocoso’ in Weert naar Royal College of Music in Londen
‘Ik kom niet uit een muzikaal nest. Maar mijn ouders vonden het wél heel belangrijk dat mijn zus en ik op muziekles gingen. Ze zagen dat ik muziek en zingen gewoon leuk vond. Want ik liep al op jonge leeftijd altijd te zingen. Dus ging ik naar “Giocoso”, een driestemmig vrouwenkoor in Weert. Op dit koor zaten dus alleen meisjes, en we hadden een heel bezielde dirigent. We zongen op redelijk hoog amateurniveau en deden mee aan korenfestivals. Ik heb erin gezongen tot ik naar Londen ging om daar verder te studeren (Olivia studeerde van 2009-2014 aan het Royal College of Music in Londen, red.). We zongen een heel breed repertoire van wat je toen ‘wereldmuziek’ noemde: liederen uit bijvoorbeeld Japan en Hongarije. Deze brede kijk op wat er in de wereld aan muziek te vinden is, is nu ik terugkijk misschien wel mede de basis geweest voor mijn interesse in wereldse muziek en ons latere project “Parallel 40” met het Belinfante Quartet. Met dit project zoeken we wereldwijd naar nieuwe composities voor strijkkwartet, geïnspireerd door traditionele muziek.’
Dagen van 7 tot 21 uur op de vooropleiding
‘Naast het koor ontdekte ik de viool. Ik was 5,5 jaar toen ik naar de muziekschool ging. Als tiener had ik een moeilijke fase. School en sociale contacten vroegen veel van me. Maar toen kwam ik van mijn 16e tot mijn 18e bij de vooropleiding aan het conservatorium bij Chris Duindam. Ik ging 2x per week naar Tilburg en zat op school in Eindhoven. Elke ochtend was ik om 7 uur de deur uit en als ik na school naar Tilburg moest, was ik vaak om 20 à 21 uur thuis. Dus het was hard werken. Achteraf denk ik “Hoe heb ik dat gedaan?”, maar als 16-jarige doe je dat gewoon.
Ik heb zoveel van Chris Duindam geleerd. Hij leerde me dingen die ik meenam voor de langere termijn als musicus. Ik geef sinds september zelf les aan deze vooropleiding, die nog steeds in hetzelfde gebouw in Tilburg zit. En soms hoor ik nog zijn adviezen van 20 jaar geleden.’
Haitink, Dvořák en ‘concerto competitions’ in Engeland
‘In 2009 mocht ik auditie doen bij een van de beste conservatoria van de wereld, de Royal College of Music in Londen. Omdat ik in de tweede ronde meedeed, had ik maar twee weken totdat het nieuwe schooljaar zou beginnen. Ik werd aangenomen en ben terug geracet naar Nederland, waar ik in die twee weken alles geregeld heb. Gelukkig heeft de school ook kamers voor studenten en er bleek er een vrij te zijn. Het was dus echt ‘meant to be’. Ik begon daar in 2009 en woonde en studeerde 5 jaar in Londen. Londen is fantastisch! Ik dacht bijvoorbeeld: “Ik zou heel graag Dvořáks 9e Symfonie willen horen.” Nou, en die was dan die avond nog in de Royal Festival Hall. De school bood ons heel veel kansen. Bij een orkestproject kwam dan bijvoorbeeld Haitink of Jurowski dirigeren. Dat zijn ervaringen die je meeneemt voor de rest van je leven.
Toen ik afgestudeerd was, heb ik een paar jaar lang veel solo gespeeld. Je hebt in Engeland veel ‘Concerto competitions’. Dan kan je meedoen aan een wedstrijd en als je wint mag je het stuk uitvoeren met orkest. Daar heb ik echt veel plezier aan beleefd! Dat zijn meestal amateurorkesten of semi-professionele orkesten, vaak verbonden met een kerk. Maar het niveau van spelen en van blad lezen ligt er heel hoog, ook bij amateurs.’

Spreken in de ultieme taal van de muziek en elkaar volkomen begrijpen
‘Ik had in Engeland ook al een strijkkwartet waarmee we ‘the usual suspects’ uit de strijkkwartetcanon speelden: Haydn, Smetana, enzovoorts. Ik trok altijd al naar de kamermuziek, meer dan de orkestmuziek, en het strijkkwartet is echt mijn taal. Het past gewoon beter bij mijn muzikale persoonlijkheid, ik functioneer in een strijkkwartet vanzelfsprekender dan in grotere groepen. Het is net als bij een koor: een strijkkwartet heeft iets homogeens in geluid en je spreekt met elkaar in de ultieme taal van de muziek. En als het goed werkt in een strijkkwartet, dan begrijp je elkaar volkomen.
In 2016 was ik concertmeester van het orkest van een dirigentenmasterclass van het conservatorium Utrecht. Dat is voor het orkest vaak vermoeiend, want je moet dan dezelfde stukken steeds opnieuw spelen. Dus de energie zakte een beetje weg tijdens de dag. Maar er was één cellist die de hele tijd tóch bleef kijken naar bijvoorbeeld de tweede violen als zij iets samenspeelden. En toen dacht ik: “Dat is denk ik een hele goede kamermusicus.” Toen ben ik aan het einde van de dag naar hem toegegaan, heb mezelf voorgesteld en gezegd ‘Ik zoek een cellist voor mijn kwartet, heb je interesse?” Toen hij ja zei, zei ik vervolgens “Mooi, dan zijn we nu met zijn tweeën.” Dat was het begin van het Belinfante Quartet. Vervolgens vonden we de altviool via de altviooldocent aan het Conservatorium en de tweede viool zat in een pianotrio met cellist Pau. En toen hadden we een kwartet.’
‘Bad ass’-vrouw en cellist
‘Toen we begonnen als nieuw strijkkwartet wisten we: we willen niet alleen de bekende werken gaan uitvoeren. Maar wat gaan wij vanuit onze eigen persoonlijkheden toevoegen? We programmeerden altijd minimaal een werk van één vrouwelijke componist. In de loop van de tijd werden dat meer ‘vergeten componisten’. Dus dan kunnen vrouwen zijn, maar ook componisten van kleur of componisten uit verre streken.
De naam van ons kwartet bedenken was ook een heel proces. Want er was veel wat we niét wilden, maar wat dan wel? Ik was toen Frieda Belinfantes biografie “Een schitterend vergeten leven” aan het lezen, dus ik stelde voor om het kwartet naar haar te vernoemen. Want ik vind haar echt een “bas ass”-vrouw, die onder zulke extreme stress (de Tweede wereldoorlog, red.) nog muziek wist te maken en stond voor wie ze was. En zo ontstond onze naam. We konden het toen niet vermoeden, maar in de loop van de tijd heeft deze naam voor ons steeds meer betekenis en invulling gekregen. Je groeit als kwartet kennelijk ‘in je naam.’
Een topinstrument stuwt je voort en helpt je verder in je spel
‘Ik speel op een viool die ik in bruikleen heb van Het Muziekinstrumentenfonds. Het fonds is uniek in de wereld en onmisbaar in de Nederlandse muziekwereld. Want een goed instrument is voor veel musici bijna niet te betalen. Als je op zo’n topinstrument speelt, dan stuwt het je voort en helpt het je verder in je spel. In Engeland heb je wel privéstichtingen waar je financiering kan krijgen voor je instrument. Maar het is nergens zo goed geregeld als in Nederland. Deze viool is alweer het derde instrument dat ik in bruikleen heb van het fonds. Dus het is fijn dat je instrument op die manier echt met je mee kan groeien, tijdens je studie en erna.
In ons kwartet zitten twee leden die niet in Nederland wonen. Zij kunnen dus geen instrument in bruikleen hebben van Het Muziekinstrumentenfonds. Wel hebben we een keer voor het hele kwartet strijkstokken in bruikleen gekregen. De cellostok die we toen mochten lenen, was van onze naamgever Frieda Belinfante zelf geweest. Dat was wel echt heel bijzonder.’
Muziek is een universele taal en de emoties zijn de essentie, waar die muziek ook vandaan komt
‘Ons concert op de Strijkkwartet Biënnale heeft, zoals al onze concerten, een thema. Dat is ‘Wat betekent thuis?’. Een heel relevante vraag voor een kwartet met vier leden die allemaal uit een ander land komen en veel reizen voor hun werk.
Voor mij is het kwartet mijn muzikale thuis. Dat voel ik als we weer samen op het podium of in de repetitieruimte muziek maken. Als luisteraar ga je bij dit concert een reis meemaken, die je meeneemt naar de Ierse folkmuziek van Rhiannon Randle, het Venetië waar Benjamin Britten zijn laatste noten componeerde die in een vraagteken eindigen, en dan weer terug naar ons eigen land, met een nieuw strijkkwartet van Mathilde Wantenaar. Het eerste deel hiervan hebben we twee jaar geleden al gespeeld tijdens het festival, deze keer spelen we het complete stuk.
We laten in het concert horen dat muziek een universele taal is en waar die ook vandaan komt, ook al klinkt de melodie anders dan onze westerse melodieën, de emoties zij de essentie. En die zijn universeel. Frieda Belinfante zei het heel mooi: “Muziek bevat alles in een gesublimeerde vorm. Alle menselijke gevoelens komen tot uiting: liefde, vreugde, verslagenheid en dood. Alles kan uitgedrukt worden door muziek. Het slechte, het goede, het angstaanjagende. Het is van onszelf. Wij maken het, wij componeren het, wij voeren het uit.”.’
Na afloop van het concert van het Belinfante Quartet is er de After Talk: Hoe instrumenten de weg vrijmaken. Directeur Manon Veenendaal van Het Muziekinstrumentenfonds gaat daarin in gesprek met Olivia Scheepers.